Welkom bij de Engelse toets
Uitleg: Adjectives & Adverbs
In het Engels maken we een belangrijk verschil tussen woorden die iets zeggen over een zelfstandig naamwoord (ding/mens) en woorden die iets zeggen over een werkwoord (actie).
1. Adjectives (Bijvoeglijke naamwoorden)
Zeggen iets over een zelfstandig naamwoord (noun).
Voorbeeld: "The slow car." (slow zegt iets over car)
Voorbeeld: "She is beautiful." (beautiful zegt iets over she)
2. Adverbs (Bijwoorden)
Zeggen iets over een werkwoord (verb), een ander bijvoeglijk naamwoord of een hele zin.
Regel: Adjective + ly
Voorbeeld: "He drives slowly." (slowly zegt iets over drives)
Speciale Regels (Let op!)
- Uitzonderingen (onregelmatig):
- Good → Well (Hij speelt goed = He plays well)
- Fast → Fast (blijft hetzelfde)
- Hard → Hard (blijft hetzelfde)
- Late → Late (blijft hetzelfde)
- Woorden eindigend op -y: Verander -y in -i en voeg -ly toe. (Happy → Happily).
- Woorden eindigend op -le: Vervang -e door -y. (Terrible → Terribly).
- Zintuig-werkwoorden (Sense verbs):
Bij look, feel, smell, taste, sound gebruiken we een Adjective!
"That sounds great." (Niet greatly!)
Multiple Choice
Loading...
Resultaten
Hier is hoe je het gedaan hebt, .
0%
Score
You are a champion!
Fantastisch gedaan! Meer dan 90% goed.
Blijven oefenen!
Je score is lager dan 70%. Laten we de fouten verbeteren.